Via Nederland naar Spanje – en dan?

Een reactie plaatsen

20 november 2016 door spanje3639

Een van de sprekers op het symposium ‘De oorlog begon in Spanje’ dat 2 en 3 juli in Amsterdam gehouden werd was Ursula Langkau-Alex van het Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Zij vertelde over Duitsers die in Nederland leefde en bij de Spaanse Burgeroorlog betrokken waren. Zij heeft deze presentatie omgewerkt naar een uitgebreid artikel. Wij zijn vereerd dat ze dit artikel op onze website wil publiceren.

Het artikel toont de nauwe verwevenheid aan tussen de geschiedenis van de Duitse Spanjestrijders en de Nederlanders in de periode 1933 – 1945, wat bij velen niet bekend is.
Het is een voorbeeld van transnationaal verzet, een onderwerp wat pas sinds kort ook in de academische wereld aandacht krijgt (zie bijvoorbeeld de project website Transnational Resistance).

Het artikel is ook te downloaden met de volgende link: Via Nederland naar Spanje .

 

 

Via Nederland naar Spanje – en dan? Duitse antifascistische strijders en hun lot. Een eerste verkenning

Ursula Langkau-Alex , I.I.S.G.         Amsterdam            November 2016

 

Enige cijfers

Onder de rond 45.000 strijders uit meer dan 50 landen aan de kant van de Spaanse Republiek waren naar schatting tussen de 4.500 en 5.000 Duitsers – in de ruimere zin dan. In het lijvige naslagwerk “Sie werden nicht durchkommen”. Deutsche an der Seite der Spanischen Republik und der sozialen Revolution, onder redactie von Werner Abel en Enrico Hilbert [in het vervolg: Abel/Hilbert] zijn de criteria voor de categorisering “Duitser” naast personen die de Duitse nationaliteit bezitten en in Duitsland wonen: ingezetene in gebieden die tot aan de vredesverdragen van Versailles bij het Duitse Rijk hadden behoord; Duitse minderheden in andere natiestaten (o.a. zijn er zeker 150 Sudeten-Duitsers uit de ČSR mee geteld); lidmaatschap van een Duitse politieke partij of vakbond binnen de grenzen van de Republiek van Weimar; de Duitse taal. Op deze manier kunnen Abel/Hilbert en medewerkers 3.521 “Duitsers” opsommen, voorzien van biografieën die qua lengte variëren van één zin tot twee kolommen, soms staat er ook alleen maar een naam – wellicht een aanmoediging of uitnodiging voor verder onderzoek. Als hun ‘bijtellingen’ buiten beschouwing blijven komen we in de buurt van het cijfer dat elders vaker wordt gehanteerd: ca. 3.000 Duitse antifascistische spanjestrijders waarvan ca. 1.200 de Tweede Wereldoorlog zouden hebben overleefd [zie b.v. von zur Mühlen]. Al waren de allermeeste strijders soldaten, een paar honderd dienden de Spaanse Republiek in eerder civiele functies (wat niet uitsloot dat zij alsnog gewond raakten): Zij werkten als journalist/correspondent (b.v. de in 1933 naar Nederland gevluchte, 1942 in het concentratiekamp Mauthausen vermoorde sociaaldemocraat Erich Kuttner; tijdens een bezoek aan het front bij Brunete werd hij door een verdwaalde kogel getroffen), of zij dienden als adviseur bij overheden, politieke, vakbond- of hulporganisaties (Willy Brandt b.v., de latere kanselier van de Bondsrepubliek Duitsland en drager van de vredesnobelprijs verbleef 1936/37 in die verschillende voornoemde functies in Spanje); zij werkten als fotograaf (hier is de eveneens naar Nederland gevluchte Eduard Baumrück te noemen), als omroepmedewerker, als vertaler, in administraties en in medische inrichtingen – hier niet te vergeten de verpleegsters wier aantal zo te zien sterk wordt onderschat, dus ook in Abel/Hilbert niet bij benadering lijkt te zijn becijferd. (Voor de rol en functies van vrouwen in Spanje zie nu: Ingrid Schiborowski (Hrsg.), Anita Kochnowski (Hrsg.), Frauen und der spanische Krieg 1936-1939. Eine biografische Dokumentation.)

Van de 3.521 Duitsers die Abel/Hilbert noemen hebben volgens de biografieën 254, daaronder welgeteld, maar zeker aan de lage kant, 18 vrouwen, meestal echtgenotes, in Nederland c.q. “Holland” vertoefd; twee van die vrouwen waren Nederlands van geboorte, Henriette Engel en Gees Hel[l]berg. Er is een kleine correctie naar boven mogelijk, o.a. aan de hand van het gedenkschrift van het Hollandse emigranten-collectief in het Franse interneringskamp Gurs van Augustus 1939 (In Memoriam. Den in Spanien gefallenen Kameraden aus der holländischen Emigration). Het schriftje bevat 29 korte biografieën van tussen 23 Oktober 1936 en 21 September 1938 in Spanje gesneuvelde Duitse kameraden, meestal met de plaats, in enkele gevallen ook de activiteit in het Nederlandse exil, alsmede de omstandigheid, plaats en datum van overlijden, zo mogelijk ook de plaats van de teraardebestelling. Drie namen zijn niet in Abel/Hilbert te vinden maar er nu op te tellen bij die 3.521: Fritz Dietrich, Willi Franz en Heinz Schade. De overige 26 in Spanje gevallen strijders in het gedenkschriftje zijn wél in Abel/Hilbert opgenomen, maar bij Eduard Fischer, Max Janke, Heinz Wischnewski, Oswald Geistert en Peter Zilles ontbreekt hun verblijf in Nederland, al is er wat betreft onder het lemma Anton Stiessel (overigens een “Sudetendeutscher”) een „Gruppe ‚Zilles‘“ genoemd die in Nederland illegaal politiek actief was. Het gedenkschrift en het naslagwerk van Abel/Hilbert bij elkaar gelegd, Willy Brandt en Kurt Schmidt van wie hun verblijf in Nederland niet is opgenomen alsmede de geheel buiten beschouwing gelaten Erika Mann mede geteld, zijn er 256 Duitse emigranten te noemen bij wie een zekere, zij het niet altijd rechtstreekse link tussen Nederland c.q. Holland en Spanje gelegd kan worden. Willy Brandt nam in Februari 1934 deel aan een internationaal socialistisch jeugdcongres in Laren, werd met alle anderen gearresteerd, een paar dagen in een Amsterdamse gevangenis vastgehouden en als “Noor” over de Belgische grens gezet. Erika Mann toerde in 1935 met haar antifascistisch cabaretensemble „Die Pfeffermühle“ door Nederland. In 1938 reisde zij samen met haar broer Klaus Mann als verslaggever de verschillende fronten in Republikeins Spanje af; Klaus, wél opgenomen in Abel/Hilbert, was er meerdere malen tussen 1933 en 1935 op bezoek in Nederland in verband met zijn redacteurschap van het exil-tijdschrift „Die Sammlung“ bij uitgeverij Querido in Amsterdam. Kurt Schmidt was een van de antifascisten die in 1933/1934 naar Nederland waren gevlucht, maar al vóór de putsch van de Spaanse generaals het land weer verlaten hadden; hij werd van zijn partij, de KPD, naar het Saargebied gestuurd voor de referendum-campagne tegen Nazi-Duitsland in Januari 1935. Zijn schuilnaam in Nederland, August Hartmann (“de[r] lange August”), bleef voortaan zijn naam. Sommige exilanten kwamen pas na hun strijd in Spanje voor het eerst naar Nederland; een paar keerden na ‚Spanje‘ naar hun eerste exilland, Nederland, terug.

In het volgende worden exemplarisch enkele spanjestrijders ten tonele gevoerd wiens lotgevallen zowel algemene als individuele en specifieke kenmerken laten zien.

Een van de Duitse spanjestrijders die na ‘Spanje’ naar Nederland terug keerden was Wilhelm (Willi) Ketschau (Ketschan, Ketschaw). Hij werd geboren op 12 December 1894 in Remscheid, leerde timmerman, werd in 1919 lid van de in 1915 opgerichte Spartakusbund en in 1920 van diens opvolger, de „Kommunistische Partei Deutschlands“ (KPD). In September 1933 emigreerde hij naar Nederland, in Oktober 1936 arriveerde hij in Spanje en werd ingedeeld bij het Etgar (Etkar)-André-Bataillon van de XI. Internationale Brigade (IB) waar hij als „teniente“ deel uit maakte van een granaatwerper-eenheid, ook werd hij „kadercommandant“. In Januari 1937 werd hij bij Las Rozas zwaar gewond, maar vocht een jaar later weer mee bij Teruel. Na de officiële opheffing van de Internationale Brigades is hij op 23 November 1938 terug in Nederland; precies een jaar later wordt hij in Amsterdam gearresteerd en op Vlieland geïnterneerd. In 1940 wordt hij door de SD (Sicherheitsdienst van de Duitse bezetter) naar Keulen getransporteerd en in een proces tot vier jaar tuchthuis veroordeeld, maar in Juli 1943 uit het tuchthuis in Siegburg ‚overgeplaatst’ naar het “Strafbataillon 999” van de Wehrmacht. Hij overleeft de oorlog en zetelt na 1945 in Keulen.

Uit deze biografie kan worden afgeleid dat Nederland geen veilig asielland was voor uit Spanje teruggekeerde strijders, zeker niet als ze ook nog communist waren – en dat was het gros van hen. Maar een veilig asielland was dit land over het algemeen gezien ook niet vóór ‘Spanje’.

Sociale en politieke structuur en status in Nederland

            De meeste Duitse politieke vluchtelingen die dan in Spanje vochten waren zoals gezegd lid van de KPD, vaak waren zij vroeg in de jaren 1920 overgestapt van de sociaaldemocratie; de meerderheid, jongeren vooral, sloot zich in de late jaren 1920 tot begin jaren dertig aan. In Nederland werden de communisten in het begin vrijwel allemaal illegaal opgevangen door de Rode Hulp, op gezinnen verdeeld voor (een) nacht of dag of een maaltijd. OSP en RSAP hielpen socialisten en zelfs communisten verder die eerder door de KPD-leiding werden afgewezen, en de Duitse anarchisten/anarchosyndikalisten verenigd in de FAUD (“Freie Arbeiter-Union Deutschlands”) konden op een sterke zustergroep vooral in Amsterdam rekenen; samen bouwden zij de buitenlandse organisatie van de FAUD op, de “Gruppe ‘Deutsche Anarchosyndikalisten’” (DAS). Prominent was hier de 1904 in Darmstadt geboren Gustav Doster, die in Oktober/November 1933 naar Amsterdam kon emigreren en, onder een Duitse en vijf verschillende Nederlandse schuilnamen solidair en verzetswerk verrichtte tot hij begin 1936 werd gearresteerd, veroordeeld en bij de militaire politie in Amsterdam geïnterneerd werd.

De SDAP richtte samen met de NVV al vroeg in het voorjaar van 1933 het Comité voor Politiek Duitse Vluchtelingen op, maar verwees (uit geldgebrek) sociaaldemocraten met een Joodse achtergrond door naar het Comité voor Joodse Vluchtelingen. Ook waren partij, vakbond en hulporganisatie bedacht op een legaal verblijf van de emigranten alsmede op een strikte afgrenzing van ‘communisten’ en hun organisaties, en waren zij gekant tegen deelname aan de strijd in Spanje, dit in overeenstemming met de meerderheid van de Europese partijen in de SAI (“Sozialistische Arbeiter-Internationale”), bijna allemaal partijen in constitutionele monarchieën. Ook het bestuur van de SPD in ballingschap, de Sopade, hoorde bij deze meerderheid; gezien de strijdkrachten die het Naziregime ter ondersteuning van Franco c.s. naar Spanje stuurde, huldigde de Sopade de maxime: “Duitsers schieten niet op Duitsers”.

Bovenpartijdig behulpzaam zowel wat de materiële als de logistieke kant aangaat was de ITF (“Internationale Transportarbeidersfederatie”) onder de Nederlandse secretaris-generaal Edo Fimmen met haar onder-organisaties. Toch kan in het geheel worden gezegd: De solidariteit bij alle linkse politieke krachten in Nederland was groot in de omstandigheden van economische crisis en armoede en daarboven op de politieke en administratieve druk van de kant van de Nederlandse overheid als ook van de kant van Nazi-Duitsland op de Nederlandse autoriteiten en niet te vergeten de ’nationaalsocialisten’ / ‘fascisten’ in eigen land. De biografieën in Abel/Hilbert laten veelvuldig zien dat Duitse vluchtelingen over de grens werden gezet – als ze geluk hadden of de steun van protesterende organisaties en media’s of van bemiddelende bestuurders zoals de SDAPer F.M. Wiebaut in Amsterdam of zelfs van kamerleden, was dat de Belgische grens, vaak genoeg was het ook de Duitse grens. De boven genoemde anarchosyndikalist Doster voorkwam zijn uitlevering aan de Gestapo door een hongerstaking, hij werd in September 1936 blijkbaar over de grens naar België gezet en vluchtte naar Zweden vanwaar hij in Januari 1937 naar Barcelona afreisde, zich bij de CNT-FAI engageerde en in de Columna Durruti vocht. De 1912 in Remscheid geboren communist Karl Kleinjung werd over de Belgische grens afgeschoven nadat openbare, waarschijnlijk door de CPN geïnitieerde protesten zijn vrijlating uit Fort Honswijk hadden afgedwongen. Fort Honswijk was naast andere forten of kampen speciaal voor “ongewenste vreemdelingen”, hoofdzakelijk voor communisten ingericht. Voor sommige emigranten werd het heen- en weer schuiven of vluchten over de grenzen en uit kampen een ware odyssee die soms ook in 1945 nog niet ten einde was (zie b.v. Felix Sander, een in 1919 geboren katholiek). Uitlevering aan de Gestapo was al vóór de Duitse overval op Nederland geen taboe, zie exemplarisch het lot van Friedrich Meister en Otto Pentzek.

Hoe het “ongewenste vreemdelingen” en Duitse oud-spanjestrijders sinds de inrichting van gebouwen ter internering op Vlieland vanaf eind 1938 verging, is na te lezen in Interbrigadisten op Vlieland (met vele verwijzingen). De eerder genoemde Wilhelm Ketschau had ‘geluk’ in zo verre dat hij na door de SD te zijn overgebracht naar Keulen, tot tuchthuisstraf in plaats van tot KZ werd veroordeeld. In Oktober 1943 begon de Wehrmacht mensen te rekruteren die een tuchthuisstraf uitzaten of hadden uitgezeten, wiens “bürgerliche Ehrenrechte” (burger- en politieke rechten) waren ontnomen – en dat gold voor criminelen, voor politieke tegenstanders van het NS-regime en voor hoe en waarom dan ook naar Duitsland teruggekeerde vluchtelingen c. q. spanjestrijders die hun staatsburgerschap hadden verloren. Zij werden vanaf het voorjaar van 1943 in zogenaamde strafbataljons onder de meestal wrede leiding van Wehrmacht-oversten en criminelen naar België, naar de Balkan (vooral Griekenland) en naar het oostfront (Rusland) gestuurd. Strafbataillon 999 bestond hoofzakelijk uit antifascisten. De verliezen waren hoog, desertie oftewel overlopen naar de andere kant (partizanen) was ook niet gering (Karl Alex b.v. sneuvelde aan de kant van Joegoslavische partizanen in 1944; Paul Hel[l]berg daarentegen, in Juni 1940 vanuit Vlieland aan de Gestapo over gedragen, in een proces samen met zijn Nederlandse vrouw van politieke activiteiten in Spanje vrij gesproken, maar dan toch bij de Wehrmacht ingelijfd, kon 1944 in Frankrijk deserteren, dook vervolgens bij een communistische familie in Wuppertal onder en werd na 1945 in Leipzig medewerker van de “Leipziger Volkszeitung”. Wie had gedacht of zelfs het advies van de KPD-leiding had opgevolgd, na de ondertekening van het Duits-Russische niet-aanvals-pact (Hitler-Stalin-pact / Ribbentrop-Molotov-pakt) van 23 Augustus 1939 veilig naar Duitsland terug te keren, kwam bedrogen uit: onmiddellijke executie, processen met tuchthuis- of KZ- of de doodstraf volgden op de goedgelovigheid.

Nederlandse en Duitse spanjestrijders

Men kende elkaar veelal uit de ‘Nederlandse’ tijd van de Duitse vluchtelingen, van de Rode Hulp, van de privé solidaire hulp (onderdak, eten), van gemeenschappelijke (verzets-) activiteiten, of uit kunstenaarskringen. De in Letland geboren kleurrijke toneelspeler en schrijver Harry Domela b.v. reisde in September 1936 samen met vriend Jef Last naar Spanje; beiden dienden in de Republikeinse Volksmilitie. Toch lijkt het dat Nederlanders en Duitsers maar zelden samen naar Spanje vertrokken en pas aldaar mogelijkerwijs weer een gezamenlijke opleiding in Albacete ondergingen, daarna in een compagnie of bataljon van de “Duitse taalgroep” terecht kwamen die samen de XI. IB vormden (later: Thälmann-Brigade genoemd), en dan toch weer gescheiden werden door hergroeperingen ten gevolge van zware verliezen of op grond van politieke of overwegingen om spraakverwarringen te verhelpen of te voorkomen. In de zomer van 1937 bestond de XI. IB uit het Thälmann-Bataillon (meestal Duitsers), het Bataillon 12. Februar (meestal Oostenrijkers), het Edgar André-Bataillon (waaronder een nieuw opgerichte Nederlandse compagnie werd geplaatst die in Maart 1938 de officiële naam “De Zeven Provinciën” kreeg) en het Hans Beimler Bataillon (met nu vooral Scandinaviërs).

            Van het voortleven van de “Kameradschaft”, van de herinneringscultuur aan de antifascistische strijd, ook al had men in Spanje niet zij aan zij gevochten in de letterlijke zin, getuigen gezamenlijke verzetsactiviteiten van Nederlandse en van naar Nederland (terug) gekomen Duitse Spanjestrijders tijdens de Duitse bezetting van Nederland; getuigen eveneens de organisaties binnen de “Fédération internationale des Résistants” die in 1951 werd opgericht en na 1990 werd herstructureerd.

Leeftijd van de strijders en hun weg naar Spanje

Het merendeel van de Duitse spanjestrijders werd tussen 1900 en 1910 geboren, hun leeftijd in 1936 varieerde dus tussen de 26 en 36 jaar. Uitschieters naar boven (tot jaargang 1913/14, in een enkel geval tot 1917) zijn in mindere mate te zien dan uitschieters naar beneden, naar de jaren 1890. Voornoemde Ketschau werd in 1894 geboren. Het is aannemelijk dat hij aan de Eerste Wereldoorlog had deelgenomen zoals zo velen uit de jaren voor 1900. Dat er Duitse soldaten en officieren uit de I. Wereldoorlog in de Republiek van Weimar ook aan de linker kant van het politieke spectrum politiek actief werden, is bekend. Dat sommige van hen na 1933 naar Nederland vluchtten en in Spanje vochten of tenminste als militair opleider dienden, betuigde o. a. Leo Klatser in Trouw (2 November 1996): Zijn militaire opleider in Spanje 1937 was “een afdelingschef van de Bijenkorf. Dat was een hele goede, een Duitse emigrant die in de Eerste Wereldoorlog officier in het Duitse leger was geweest.” Waren oudgedienden uit het Duitse Leger (Deutsches Heer) van 1914/18 welkom, zo werden in Spanje deserteurs uit de Wehrmacht (omgevormd uit de Reichswehr in Maart 1935, met algehele dienstplicht), terecht of ten onrechte, gewantrouwd en overeenkomstig behandeld, al waren zij eerst naar Nederland gevlucht en hier vrijwel zeker gescreend (zie b.v. Willi von Baal en Anatol Hoessel, beiden jaargang 1915).

Ondanks het feit dat de reeds aangehaalde Ketschau ‚pas’ in Oktober 1936 in Spanje aankwam toen de Internationale Brigades werden samengesteld en de toestroom van vrijwilligers zeer groot was, is het goed mogelijk dat hij toch een van diegenen was, die spontaan aan de oproep van 7 Augustus door de in Parijs gezetelde “Auslandsleitung” (centrale buitenlandse leiding) van de KPD aan alle in de omgang met wapens kundige antifascisten gehoor hadden gegeven, zich voor de strijd in Spanje te melden. De weg van Nederland naar Spanje was immers langer en met meer hindernissen verbonden dan die van Frankrijk naar Spanje. Hoewel er snel een gezamenlijk organisatiebureau van Nederlandse en Duitse communisten werd opgericht moest een – wat voor de meesten opging – als stateloos en illegaal in Nederland verblijvende vluchteling eerst zien met ‘legale’ papieren van Nederland naar Parijs te komen van waar hij via Lyon en Marseille of op andere wegen naar Spanje werd doorgesluisd. Al eind Juli waren Herbert Wehner (hij werd na 1946 een van de voormannen van de SPD in de Bondsrepubliek) en bovengenoemde Kurt Schmidt alias August Hartmann in Parijs begonnen vrijwilligers, ook sociaaldemocraten te werven en naar Spanje te loodsen waar zij o. a. in een van de verschillende spontaan opgerichte Spaanse milities meevochten of in samenwerking met de PSUC de “Centuria Thälmann”, een voorloper van het Ernst-Thälmann-Bataillon van de XI. Internationale Brigade, vormden. Tot hij in 1937 zelf naar Spanje mocht vertrekken waar hij als lid van het Bataillon Edgar (Etkar) André in maart 1938 sneuvelde, was Hartmann in Parijs een van de leiders van de “Koordinationsauschuss für Spanien-Freiwillige”. Hier werden aankomende strijders geselecteerd, geregistreerd en gescreend. Niemand, althans geen communist mocht meer eigener beweging naar Spanje gaan, men werd gestuurd of gesommeerd – zoals eigenlijk ook niemand zonder toestemming van de partijleiding uit Nazi-Duitsland mocht emigreren, wat in de eerste verwarrende tijd na 1933, vooral na de brand van de Rijksdag, het onmiddellijke verbod van de KPD en de massale arrestaties veelal wél gebeurd was. Latere reprimandes bleven vaak niet uit.

Één van de Duitse strijders die reeds in Augustus 1936 van Nederland naar Spanje vertrokken en begin September al aan het front vochten was Heinrich Brandes. Bij Oswald Geistert die misschien ook een van de vroege vrijwilligers was, komen we een probleem tegen waarmee biografen, historici enz. te kampen hebben: de bronnen. Volgens het Gurs-boekje was Geistert in Amsterdam als “Piet” bekend – wat op clandestiene politieke activiteiten wijst – en vertrok hij in Augustus 1936 naar Spanje, naar de “Centuria Thälmann”; hij sneuvelde als “Stosstruppführer “(leider van een stoottroep) bij Boadilla del Monte en werd op 19 December 1936 in Fuencarral begraven (beide plaatsen liggen bij Madrid). Volgens Abel/Hilbert verrichtte Geistert in Nederland verzetswerk onder het pseudoniem “Franz”, arriveerde hij in November 1936 in Spanje, werd leider van een afdeling van het Ernst-Thälmann-Bataillon van de XI. IB en werd – Abel/Hilbert noemen geen datum – in het Park Casa de Campo bij Madrid dodelijk gewond. In 1938 werd hem postuum het Duitse staatsburgerschap ontnomen.

Spanje was hun hoop

… is het algemene antwoord op de vraag: Waarom sprak ‘Spanje’ tot de verbeelding van duizenden Duitse tegenstanders van het nationaalsocialisme in ballingschap, maar ook tot enkelen binnen Duitsland die rechtstreeks ten strijde trokken (de tienduizenden strijders uit andere naties hier buiten beschouwing latend al zijn de meeste motieven ook op hen van toepassing)? In het besef dat in de praktijk doorgaans verschillende drijfveren bij elkaar kwamen worden ze onderstaand toch gespecificeerd om een bepaalde hiërarchie te laten zien. Te noemen zijn:

  • De concrete mogelijkheid om de fascistische aanval op de democratisch gekozen Spaanse regering, de redding van de democratische Republiek, haar instituties, verworvenheden en beloftes af te weren c.q. terug te slaan.
  • (Het voorbeeld van) de spontaneïteit van het hoe dan ook gewapend verzet door alle lagen van de bevolking en alle politieke stromingen links van het midden – wat in Duitsland 1933 had ontbroken.
  • De bevrijding van het ‚juk‘ van het ballingschap, d.w.z.: van een onzeker bestaan – geduld of illegaal in het land, (dreigende) uitzetting of internering; van onmacht, werkloosheid, nietsdoen en afhankelijkheid van liefdadigheid en steun; van eenzaamheid en vreemde. „Unsere Heimat ist heute vor Madrid“, vertolkte de toen nog in Moskou vertoevende dichter en schrijver Erich Weinert (hij nam pas vanaf midden 1937 aan de strijd in Spanje deel) de gevoelens van velen in het „Lied der Internationalen Brigaden“.
  • De erkenning als waardevol mens die kon werken en strijden voor de goede zaak. Er waren maar weinig Duitse vluchtelingen die in de jaren dertig in Nederland een legale baan konden bemachtigen: De economische crisis met als gevolg een grote werkloosheid, en de instroom van vervolgden uit het buurland ten oosten vielen samen – echter, tussen eind 1933 en juni 1936 bleef het aantal van registreerde vluchtelingen met rond 4000 vrijwel gelijk, maar de kabinetten onder de ARPer Hendrikus Colijn kondigden steeds restrictievere maatregelen en wetten af tegen de “vreemdelingen” die immers uit een land van “orde” onder het bewind van een “bevriend staatshoofd” kwamen waarmee Nederland innige economische betrekkingen onderhield. Dat de bewuste opleider van Klatser de functie van een “afdelingschef van de Bijenkorf” had bekleed zou erop kunnen wijzen dat een gedegen opleiding tot en voorkomen van kundig koopman in een exclusief en internationaal vervlochten warenhuis als De Bijenkorf, in Nederland tot de ‘luxe beroepen’ voor een lux publiek hoorde, maar schaars en dus ‘broodnodig’ was voor de handel.
  • De overgrote meerderheid van degenen die in Duitsland een opleiding of een functie in de handel (“kaufmänischer Beruf”) had gehad was al in de laatste jaren van ‘Weimar’ ten gevolge van de economische crisis die daar vroeger uitbrak dan in Nederland, werkloos geworden. Dat gold wellicht meer nog voor de arbeiders, meestal vakarbeiders. Zij stelden het gros van de politiek gemotiveerde vluchtelingen naar Nederland; veelal kwamen zij uit de naburige industriële gebieden van ‘Rhein und Ruhr’, het kerngebied van het huidige Noordrijn-Westfalen. Zij kwamen niet voor werk (al mochten ze er in hun achterhoofd op gehoopt hebben) maar als vervolgden omwille van hun politieke en/of vakbondsactiviteiten, vóór en na 1933; menigeen was al ten tijde van ‘Weimar’ één of meerdere malen gearresteerd, tot gevangenis- of zelfs tuchthuisstraf veroordeeld geweest in verband met stakingsacties en “verzet tegen het openbaar gezag”, sommigen hadden een “heropvoeding” – zoals de Nederlandse overheid en (lokale) administratie het plachten te zien – in een Nazi concentratiekamp achter de rug.
  • De mogelijke opmaat naar een gewapende strijd tegen het nationaalsocialistische regime in Duitsland dat Franco en zijn mede putschende generaals met man en materieel ondersteunde (De nederlaag van Franco zal het begin van het einde van Hitler zijn. Of: “Hitler kann in Spanien geschlagen werden!“).
  • De ervaring van saamhorigheid, kameraadschap, solidariteit, internationalisme.
  • De mogelijkheid om op termijn (oude) politieke doelen, tenminste voorlopig in Spanje, (opnieuw) te verwezenlijken door middel van een democratische revolutie, of een sociale revolutie, of een burgerlijke parlementaire democratie, of een sovjet democratie (dictatuur van het proletariaat), of een radendemocratie.

De laatst genoemde motiveringen vormde echter een splijtzwam, maar konden in de eerste maanden van de burgeroorlog nog onder de leuze “Volksfront” worden geplaatst omdat ook de critici van een volksfront, zoals b.v. de anarchosyndicalisten (CNT-FAI in Spanje), de POUM en leden van de Duitse SAP (Sozialistische Arbeiterpartei Deutschlands, een afsplitsing van ‘rechtse’ leden uit de KPD en ‘linkse’ leden uit de SPD), zich aan de gewapende verdediging c.q. herovering van de verworvenheden van de Republiek verbonden. De op het VII. Wereldcongres van de Komintern in Juli/Augustus 1935 mondiaal uitgegeven leuze “Volksfront tegen Oorlog en Fascisme” bereikte in Spanje haar ideële en praktische hoogtepunt, zowel nationaal als ook internationaal. Maar ‘Spanje’ markeert ook de neergang van het Volksfront. Het besef dat het fascisme, en met name het nationaalsocialisme c. q. het Hitler-Regime de incarnatie van een (wereld-)oorlog was, had ten grondslag gelegen aan de volksfront-strategie en –tactiek. Nu de oorlog toch was uitgebroken, kwamen de twee formules om de volksfront-leuze politiek gestalte te geven – “strijd tegen het fascisme is strijd tegen de oorlog”, en: “strijd tegen de oorlog is strijd tegen het fascisme” – ook letterlijk met elkaar in botsing. Om hier alle verbaal, via media alsmede met geweld uitgevochten implicaties daarvan kort te houden:

Hoe meer in Spanje enerzijds de nationalistische kant met de steun van voor allen het NS-regime aan de winnende hand was, hoe meer versterkte anderzijds “Moskou” zijn greep op de Spaanse regering(en) en op de Internationale Brigades om de oorlog op Spaanse bodem begrensd te houden en iedere vorm van ‘socialisme’ te verhinderen. De ban van “trotskisme“/ “trotskist” – “handlanger” of “spion van het fascisme” trof in toenemende mate alle critici, opposities, revolutionairen en hun organisaties tot aan hun brigades toe (b.v. Columna, of: Brigada Durruti), met als hoogtepunt de ‘oorlog binnen de oorlog’ in Barcelona in Mei 1937 met honderden arrestaties, met gevangenisstraffen (zie b.v. het lot van voornoemde Gutav Doster), zelfs met executies als gevolg. Ettelijke functionarissen van de KPD werden willige werktuigen van de NKWD, anderen zetten hun activiteiten in de geheime voorlichtingsdiensten van de KPD van vóór en na 1933 voort.

Tot de laatste categorie behoorde Gustav Szinda. Geboren in 1897 in Blindgalles/Oostpruisen, leerde hij het vak van machinehandwerker, was soldaat in de Eerste Wereldoorlog van 1915 tot aan zijn zware verwonding in 1918, sloot zich aan bij de pacifistisch-socialistische USPD (“Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands”), wisselde in 1924 naar de KPD en werd actief in verschillende onder-organisaties, verrichtte in het Ruhrgebied illegaal politiek verzetswerk van 1933 tot aan zijn emigratie naar Nederland in 1935, waar hij tot aan zijn detachement naar Spanje in Oktober 1936 de geheime voorlichtingsdienst van de KPD leidde. In Spanje bekleedde hij verschillende hogere functies, van commandeur via stafchef tot leider van de spionageafweer bij de XI. IB, van leider van de KPD-afweer in Barcelona tot lid van de commissie voor buitenlandse kaders van het politbureau van de PCE waar hij met de ‘bewaking’ van de “Duitse taalgroep” (Duitsers, Oostenrijkers, Scandinaviërs, Zwitsers en Nederlanders) werd belast. Al deze functies én zijn ervaringen aan verschillende fronten waar hij zoals zo velen meermaals gewond raakte kwamen hem ten goede toen hij in 1939 via Frankrijk naar Moskou kon emigreren waar hij o.a. lijsten met beoordelingen van duizenden Spanje-vrijwilligers opstelde. Die herontdekte lijsten zijn één van de grondlagen van het naslagwerk van Abel/Hilbert. Ten tijde van de DDR maakten of braken ze vaak de carrière van Duitse oud-spanjestrijders (voor het laatste zie b.v. Wilhelm Remmele). Szinda zelf maakte na zijn terugkeer uit Moskou eind 1945 carrière in (contra-)spionageafdelingen van de SBZ c.q. de DDR; als majoor-generaal bij het beruchte “Ministerium für Staatssicherheit” werd hij in 1965 gepensioneerd. Hij overleed in 1988.

Na de oorlog in Spanje

Voor de meeste overlevenden eindigde de oorlog in Spaanse in de herfst van 1938 met de officiële opheffing van de Internationale Brigades. De Nederlanders konden naar huis terugkeren al zette de regering hen uit het hun staatsburgerschap of had dat reeds gedaan. Duitse spanjestrijders, van het NS-regime als vijanden “ausgebürgert” en vervolgd, konden in feite nergens naar toe, maar moesten toch Spanje uit zien te komen. Ontheemd als ze waren restte voor de meesten alleen de tocht over de Pyreneeën naar Zuid-Frankrijk – voor een enigszins veilig heenkomen van hen en andere nationaliteiten uit een demobilisatie-kamp formeerde zich opnieuw een XI. Brigade – waar zij echter net als de Spanjaarden werden geïnterneerd. De Zweedse regering lijkt de enige te zijn geweest die Duitse antifascistische strijders voor zover zij vóór ‘Spanje’ naar Zweden waren geëmigreerd samen met autochtone Zweden naar ‘huis’ liet halen. De Sovjetunie liet, volgens Abel/Hilbert, aan het einde van de Spaanse oorlog maar twee strijders (als ik goed geteld heb) rechtstreeks uit Spanje over komen, wél had zij nog tijdens de oorlog specialisten op uiteenlopende gebieden van het front gehaald, anderen konden na het uitbreken van de Wereldoorlog vanuit een kamp een verzoek voor immigratie naar de Sovjetunie indienen; in het geheel zou de Sovjetunie nauwelijks 200 oud-Spanjestrijders hebben opgenomen. De bekendste kampen die in de eerste maanden van 1939 in Zuid-Frankrijk werden opgericht en door de geïnterneerden zelf moesten worden opgebouwd, zijn Argelès-sur-mer (vooral voor vrijwilligers in de Spaanse republikeinse armee, voor buitenlandse civilisten die in Spanje geleefd hadden, voor zieken en gewonden); St.-Cyprien (meestal voor strijders in de XI. Internationale Brigade); Le Vernet (voor Spaanse republikeinse troepen en voor strijders o.a. in de Columna Durruti; dit kamp lijkt tevens een strafkolonie te zijn geweest); en Gurs.

In Gurs waren in de zomer van 1939 behalve Spaanse, voornamelijk interbrigadisten uit andere fascistische en totalitaire landen geïnterneerd, daaronder rond 700 Duitsers en 500 Oostenrijkers. Om politieke redenen splitsten zich 157 voormalige interbrigadisten van de Stalin-gelovige communisten en volgelingen inclusief de Duitse kampleiding af, waarvan 110 Duitsers, 11 Oostenrijkers, en samen 36 strijders uit Polen, Letland en Wit-Rusland. Deze kritische communisten (aanhangers van de uit de Komintern geroyeerde, uit de KPD uitgetreden ‘motor’ van de Duitse volksfrontbeweging, Willi Münzenberg), socialisten, anarchisten, sociaaldemocraten, leden van linkse splintergroeperingen en partij-lozen groepeerden zich als “Unabhängige Antifaschistische Gruppe – 9. Kompagnie“ (genaamd naar het negende îlot in Gurs). Spaanse CNT-FAI‘ers sloten zich aan. Ik vermoed dat het boven genoemde, anonieme “holländische Emigrantenkollektiv“ dat het „In Memoriam“-boekje over gesneuvelde kameraden samenstelde tot deze groep behoorde, want van Rudi (Rudolf) Auerbach wordt er gezegd dat hij in Amsterdam „Kassierer der Z.D.E.“ was. Deze in de geest van „volksfront“ op initiatief van Erich Kuttner in navolging van de Parijse „Zentralvereinigung der deutschen Emigration“ (ZVE) begin 1937 als bovenpartijdige hulporganisatie opgerichte, om de jaarwisseling 1937/38 op instigatie van die SDAP en het Comité voor Joode Vluchtelingen wegens lidmaatschap van communisten door de Nederlandse regering verboden „Zentralvereinigung deutscher Emigranten“ had in 1938/39 onder orthodoxe communisten immers het imago van „sociaaldemocratisme“.

Over levenspatronen na ‚Gurs‘ een paar voorbeelden: Fritz Zeibig, 1900 in Leipzig geboren, vanaf of spoedig na de oprichting van de „Reichswehr“ in 1921 lid, na „12 jaar“ (Abel/Hilbert) dienst emigratie naar Nederland, werd in December 1936 bij aankomst in Spanje gearresteerd, maar na een positief uitgevallen natrekking van zijn gegevens via de 26. divisie in de IB opgenomen, belandde begin 1939 in Frankrijk, werd in Gurs geïnterneerd, behoorde tot de 9. Kompanie, werd, waarschijnlijk op verzoek, aan Duitsland uitgeleverd (bepaling bij de ondertekening van de wapenstilstand op 22. Juni 1940 in Compiègne); hij werd in het KZ Dachau vermoord – wat niet weinigen daar of in een ander KZ overkwam .

   Geluk had de in 1904 geboren bankwerker Arthur Gieswein (Gießwein, Giesswein, Giesrein). Hij vluchtte begin April 1935 naar Nederland, werd door Lie Heijnen van het Centraal Wuppertal Comité in Amsterdam onder de hoede genomen, was tot zijn vertrek naar Spanje in Oktober 1936 als Jan Aage actief, bedacht het „Lied der 9. Kompanie“, kon bij de transformatie van Gurs tot concentratiekamp voor uit Groot-Duitsland gedeporteerde Joden in Oktober 1940 onderduiken, sloot zich vervolgens bij de Résistance aan, werd in September 1942 als ‚Fransman‘ door de Wehrmacht gearresteerd, in Oktober 1944 door de Gestapo als Duitse Spanjestrijder ontmaskerd, naar Duitsland gebracht, in 1945 uit het KZ Ostermoor bevrijd en werd weer lid van de KPD – wat wij bij ongeveer de helft van de voormalige communisten tegen komen, andere wilden niets meer met communisme te maken hebben, gingen naar de SPD of hielden zich geheel afzijdig van politiek. Gieswein overleed in 1973 in Wuppertal. (Mooi detail: dochter en zoon van Lie Heijnen, getrouwde Alma, en de zoon van Gießwein (zoals hij zich schrijft) zijn dank recent onderzoek en herdenkingsbijeenkomsten weer met elkaar in contact gekomen.)

Een bijzondere carrière volgend op een reeks omzwervingen maakte de in 1907 in het Ruhrgebied geboren Hans-Hugo Winkelmann. Na in de jaren 1933 en 1936 tussen Nederland, België en wéér Nederland heen en weer over de grens te zijn gezet en een illegale KPD-groep in Rotterdam te hebben geleid, werd hij in September 1936 lid van de Centuria Thälmann, vervolgens functionaris bij de „Servicio de Informació Militar“ (SIM), werd in 1939 in Frankrijk in verschillende kampen, daarna in Djelfa in Noord-Afrika geïnterneerd, in 1943 in het Britse leger in Algerije opgenomen, bereikte hij via Iran de Sovjetunie, werd in een speciaal commando van de NKVD in Belo-Rusland ingezet, daarna op de partijschool van de KPD bij Moskou opgeleid. Na zijn terugkeer in de SBZ klom hij op tot de hoogste functies bij de afdeling „Deutsche Volkspolizei“ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de DDR.

DDR en BRD

Het lot van Winkelmann is een bewijs eens te meer voor het feit dat het merendeel van de Duitse oud-spanjestrijders (ook van die een connectie met Nederland hebben gehad), na 1945 in de SBZ, de latere DDR zijn gaan wonen, in een paar gevallen pas na een poos in westerse zones van Duitsland c.q. de BRD te hebben doorgebracht; omgekeerde gevallen zijn er natuurlijk ook geweest.

De algemene beeldvorming is dat de DDR „zijn“ spanjestrijders koesterde. In de eerste jaren van de DDR echter, tussen eind 1949 en pakweg 1956, onderging de waardering voor spanjestrijders een revisie, menig vroege carrière kwam tot een eind of werd geheel afgebroken. In een samenloop van interne machtsstrijd binnen de SED, de implicaties van de oprichting van de staat Israël en de escalatie van de Koude Oorlog door de oorlog in Korea, werden “west-emigranten”, voormalige soldaten in Amerikaanse, Engelse of Franse krijgsgevangenschap en oud-spanjestrijders al dan niet van Joodse afkomst in (gemixt nationale) Internationale Brigades en ‘buitenlandse’ interneringskampen verdacht van vroeger “trotskisme”, spionage en ‘joods-kapitalistische’ samenzwering. Rehabilitaties vonden pas plaats vanaf de late jaren 60 tot in de jaren 70, na de afzetting van Walter Ulbricht.

Vele oud-spanjestrijders maakten een beroeps-carrière op middelbaar niveau: in de media tot en met functies binnen de SED, als „politinstructeur“ of „kaderleider“ en dergelijke in bedrijven en vakbonden (zie b.v. de eerder genoemde Anton Stiesel). Meer nog, in ieder geval van die spanjestrijders met wie wij in dit artikel te maken hebben, werden in het brede veld van veiligheid (politie, militair, geheime diensten) ingezet en konden hoge en hoogste dienstgraden bereiken zoals een paar exemplarisch gegeven namen hebben laten zien. Op het politieke vlak zei hier Paul Verner voorgesteld. Geboren in 1911, al vroeg in de communistische jeugdorganisaties tot en met de Communistische Jeugd-Internationale actief, vervulde hij in 1934 verschillende functies in de communistische jeugdorganisatie in het Saargebied, emigreerde in 1935 naar Amsterdam, nam tussen 1937 en 1939 deel aan de oorlog in Spanje, werd door de partijleiding naar Zweden gestuurd, maar werd aldaar van 1941 tot 1943 in hechtenis gehouden, werkte dan binnen de KPD-leiding in Zweden, na zijn terugkeer naar Oost-Duitsland klom hij in die hiërarchie van de SED op tot lid van het Politbureau, was o.a. secretaris in het ZK (Centraal-comite) voor „Gesamtdeutsche Fragen“, wat de verantwoordelijkheid voor conspiratieve operaties in de BRD behelsde, en beëindigde zijn politieke carrière in 1984, twee jaar voor zijn overlijden, als hooggeëerd en -decoreerd plaatsvervangend voorzitter van de „Staatsrat der DDR“; voorzitter was in die tijd Erich Honecker.

In de BRD hadden oud-spanjestrijders het zwaar te verduren: van materiële nadelen (o.a. werden aanspraken op „Wiedergutmachung“ als vervolgde van het Nazi-regime niet of nauwelijks gehonoreerd) tot en met de ‚criminalisering‘ als „Rot-Spanienkämpfer“ – een term die archivarissen nog in de jaren 70 en 80 klakkeloos in de documentatie van personeelsakten gebruikten, laat staan christelijke politici. De in 1942 geboren sociaalwetenschapper en historicus Patrik von zur Mühlen was de eerste die in 1982 met de publicatie “Spanien war ihre Hoffnung” een gefundeerde studie van Duitse strijders uit het gehele politiek linkse spectrum tegen de Duitse uitwas van fascisme, het nationaalsocialisme, in Spanje onder de aandacht bracht – en ten opzichte van de DDR diens eenzijdige, partijdige geschiedschrijving bloot legde. Een merkbare zei het kleine kentering, in het begin voornamelijk geconcentreerd op het gebied van de financiering van onderzoek naar het Duitse exil na 1933 was met het bondskanselierschap van de toen – eveneens, vooral van christen-democratische kant beschimpte – sociaaldemocraat Willy Brandt op gang gekomen. Het proces van (gedeeltelijke) positieve herkenning van verzet en strijd tegen het fascisme met het wapen in de hand verlief desalniettemin langzaam en stroef.

En toch: Al in 1979 eerde de stad Dortmund de in Spanje gesneuvelde August Hartmann (Kurt Schmidt) door het al bestaande „Kulturzentrum“ de naam „Langer August“ te geven. Alfons Neumann in 1904 geboren, was in 1933 naar Nederland gevlucht, werd van de illegale KPD-leiding hoewel niet meer partijlid in de herfst van 1936 naar Spanje gestuurd, kwam in de XI. Brigade terecht, werd zwaar gewond, keerde uiteindelijk, na door zijn eigen kaderleden Spanje te zijn uitgewezen, naar Nederland terug, werd op Vlieland geïnterneerd, na 14 Mei 1940 door de Wehrmacht gearresteerd, in een proces in Remscheid wegens een schietincident in 1933 veroordeeld; er volgden gevangenis, tuchthuis, KZ Neuengamme, ‘dodenmars’ tot op het KZ-schip „Kap Arcona“, en aldaar de dood. Zijn geboortestad Remscheid liet in 2007 een „Stolperstein gegen das Vergessen“ (een struikelsteeen tegen het vergeten) met zijn naam erop in het trottoir slaan.

Het zijn twee zichtbare tekenen van openbaar eerbewijs, wellicht betere dan oorkonden en ordens die uiteindelijk binnenshuis blijven en alleen maar nog in biografieën worden opgesomd.

Geraadpleegde bronnen en literatuur

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

'Vertel jullie kinderen over ons en onze strijd en het leven dat wij wensen. Mogen onze grootste verlangens door het leven zelf overtroffen worden. Werk en heb lief, vecht en win.
Leef. Leef allen en wordt groot.'

Afscheidsbrief van Spanjestrijder Krijn Breur (d.d. 5 februari 1943)

St. Spanje 1936 – 1939

Voor een donatie kunt u gebruik maken van ons rekeningnummer:
NL 96 INGB 0006696045
t.n.v. Stichting Spanje 1936-1939
De stichting is aangemerkt als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Hierdoor zijn giften aan ons aftrekbaar voor de belasting.

Vul email adres in om deze blog te volgen. U ontvangt een email bericht als een nieuw artikel wordt geplaatst.

Google Translate

Herdenking gedichtenboek

Agenda

Geen komende evenementen

%d bloggers liken dit: